Vanwaar komt de Vlaamse tussentaal?

Aflevering 9: Vanwaar komt de Vlaamse tussentaal?

[Wil je tegelijkertijd naar de podcast luisteren? Klik hierboven op de ‘play’ knop op de audioplayer!]


Intro

Hallo allemaal en welkom bij de negende aflevering van ‘Op z’n Vlaams’. Ik ben blij dat gelle der weer bij zijt en ik hoop dat alles goed met ulle gaat. Hier in België is het nog altijd min of meer hetzelfde. De vaccinaties blijven langzaam maar zeker doorgaan en het aantal COVID-gevallen is op en neer aan het gaan. Ik vermoed dat het nog ff gaat duren vooraleer we duidelijk het effect van de vaccinaties gaan zien. Soit, er is licht aan het einde van de tunnel en dat geeft hoop.

Voor deze aflevering heb ik geen mededelingen, dus laten we direct overgaan op het onderwerp van vandaag: Vanwaar komt de Vlaamse tussentaal? 


De Vlaamse tussentaal

Dees onderwerp had ik al een tijdje in mijn hoofd, want in één van de vorige afleveringen werd daar achter gevraagd. Het was Pierre die vroeg: “Heeft tussentaal altijd bestaan of niet? Zo niet, wanneer is het dan verschenen?”. Ik heb toen gezegd dat ik dat later ging beantwoorden, want ik wou daar een aparte aflevering voor maken. Deze aflevering gaan we daar dus over babbelen. Het is een heel goeie vraag, want, nee, tussentaal bestaat echt nog niet lang en is een redelijk recent fenomeen. 

Voor de mensen die de vorige afleveringen niet beluisterd hebben, zal ik nog effe kort uitleggen wat tussentaal juist is. Tussentaal is hetgene wat ik nu aan het spreken ben. Ik spreek geen Standaardnederlands, zoals ge op het nieuws zou horen als ge televisie kijkt, maar ik spreek ook geen dialect, wat hetgene is dat bijvoorbeeld mijn grootmoeder praat en meeste mensen van haar generatie. Ik spreek iets tussenin, zoals het woord zelf zegt, een taal tussen Standaardnederlands en dialect. Tussentaal zou je horen wanneer je met iemand van mijn generatie zou praten of met de generatie van mijn ouders. Bij de generatie van mijn ouders hangt het er een beke vanaf hoe oud ze zijn. Bijvoorbeeld, mijn moeder praat een beetje dialect, maar niet zoveel, terwijl de zus van mijn moeder, die ouder is, veel meer dialect kan praten. Zo zie je dat tussentaal eigenlijk een redelijk recent fenomeen is dat tijdens de kinderjaren van de generatie van mijn ouders is ontstaan.    

Ikzelf spreek dus geen dialect. Ik versta het wel, vooral doordat mijn grootmoeder al van sinds dat ik kind was dialect praatte met mij. Ik kan het een beetje spreken, maar zeker niet vloeiend. Ik moet er echt over nadenken als ik dialectwoorden wil gebruiken. Standaardnederlands kan ik wel spreken omdat we dat op school leren. Op school leren we dat schrijven en spreken. Maar zoals ik al zei, in het dagdagelijkse leven, op straat, in de winkel, met mijn vrienden spreek ik tussentaal. 99% van de tijd spreek ik tussentaal. De enige reden waarom ik Standaardnederlands zou gebruiken, zou bijvoorbeeld voor een jobinterview zijn. Standaardnederlands wordt alleen maar gebruikt in zeer formele situaties en ik heb het gevoel dat zelfs dat aan het veranderen is. Tussentaal begint zelfs daar meer en meer gebruikt te worden. 

Wel een zeer belangrijk detail: Wij praten enkel in tussentaal. Wanneer wij schrijven is dat zo goed als altijd in het Standaardnederlands. Zelfs wanneer mijn bomma schrijft, die vloeiend dialect praat, is dat in het Standaardnederlands. Dat kan misschien raar klinken, maar dat is nu eenmaal zo. Wij, Vlamingen, schrijven niet zoals wij praten. Dat is ook de reden waarom de transcripties van de podcast die je op de website terug vindt allemaal zijn geschreven in het Standaardnederlands. En daar is een hele simpele reden voor: er bestaan geen spellings- of grammaticaregels voor tussentaal of dialect, enkel voor Standaardnederlands. Toen ik nog op school zat, toen moest ik alles in het Standaardnederlands schrijven. Moest ik bijvoorbeeld ‘ge’ of ‘gij’ neerschrijven op een test, dan zouden daar punten voor afgetrokken worden. Zelfs op tests die niks met Nederlands te maken hadden, zoals wiskunde, of biologie of aardrijkskunde, werden er punten afgetrokken voor taalfouten. Ik weet niet of dat nu nog zo is, maar in mijn tijd was dat alleszins zo. Ik hoor Nederlanders soms zeggen dat Belgen over het algemeen redelijk goed zijn in spelling. Ik vermoed dat dit één van de redenen is. Ik weet niet of we werkelijk zoveel beter zijn in taal, eerlijk gezegd, maar tot nu toe heeft Vlaanderen Het Groot Dictee der Nederlandse Taal wel nog altijd iets meer gewonnen dan Nederland. Ahja, voor mensen die dat niet weten, Het Groot Dictee der Nederlandse Taal is een wedstrijd dat vroeger op de televisie werd uitgezonden waarbij de deelnemers woorden correct moesten spellen. Of dat nu nog altijd het geval zou zijn, geen idee. Dus om dat rap samen te vatten: tussentaal (en dialect) wordt enkel mondeling aangeleerd, schriftelijk niet. Ok, naar goeie vrienden schrijf ik soms met ‘ge’ en ‘gij’ en andere tussentaal-woordjes, maar hoe je die zou moeten schrijven, daar bestaan eigenlijk geen regels voor.

Ook belangrijk om te weten, is dat tussentaal niet overal hetzelfde is in Vlaanderen. Dat komt omdat tussentaal beïnvloedt wordt door de dialecten. Zoals ik al es verteld heb in de eerste aflevering van de podcast, Vlaanderen heeft vier grote dialectgroepen: Het Oost-Vlaams, het West-Vlaams, het Brabants en het Limburgs. Daardoor zal de Brabantse tussentaal, wat ik spreek, anders klinken dan bijvoorbeeld de Limburgse tussentaal. Één van mijn beste vrienden, Andy, die is van Limburg en wanneer wij met elkaar praten in tussentaal, dan verstaan wij elkaar perfect, maar wij hebben wel nen andere tongval. Met tongval bedoel ik de manier hoe iemand iets uitspreekt. Als ik iets zeg tegen een andere Vlaming dan gaat die snel horen dat ik uit de Brabantse regio kom, terwijl wanneer Andy iets zegt, dan hoor je duidelijk dat hij uit Limburg komt. Maar wij verstaan elkaar dus perfect, want de tussentalen lijken meer op elkaar dan de dialecten. Moesten bijvoorbeeld mijn grootmoeder en zijn grootmoeder elkaar ontmoeten, dan zouden ze moeten overschakelen naar tussentaal of zelfs Standaardnederlands om elkaar te kunnen verstaan. In het dialect zou het heel moeilijk zijn om elkaar te kunnen verstaan. Ik versta het dialect van mijn regio en Andy verstaat het dialect van zijn regio, maar moesten wij naar een andere regio gaan en iemand praat daar in het dialect tegen ons, dan zou dat enorm moeilijk zijn voor ons om te verstaan. Voila, ik hoop dat dat duidelijk is. Zo niet, laat het mij gerust weten. 

Nu, zoals ik al zei, tussentaal is een recent fenomeen. Om dat goed uit te leggen waarom dat zo is en waar het vandaan komt, ga ik jullie wat vertellen over de herkomst van onze taal en hoe dat doorheen de geschiedenis geëvolueerd is. 


De geschiedenis van de Vlaamse tussentaal

Laten we beginnen bij het begin: Ongeveer 2000 jaar geleden, rond het begin van onze jaartelling, werd er het West-Germaans in dit deel van het continent gesproken. Vanuit het West-Germaans zijn na een lange tijd een aantal taalvariëteiten ontstaan. Zo is het Angelsaksisch, het Oudfries, het Oudnederduits, het Oudhoogduits, maar ook het Oudnederlands ontstaan. Het Oudnederlands werd in deze streken gesproken en was eerder een verzameling van dialecten dan dat het een uniforme taal was. Er zijn heel weinig geschreven bronnen van die tijd, want in die tijd konden meeste mensen nog niet lezen of schrijven. Als er dan al geschreven werd, was het door de monniken, die Latijn gebruikten als werktaal.

Het is pas vanaf 1150 dat we meer geschriften beginnen te zien uit onze regio. De taal van die geschriften wordt Middelnederlands genoemd. Het is al in die geschriften dat we kenmerken zien van de verschillende dialecten in onze regio’s. Vooral uit de Laatmiddelnederlandse periode, die begint vanaf 1350, hebben we veel geschriften, die bestaan uit onder andere religieuze teksten, ridderverhalen, poëzie, toneelteksten, natuurbeschrijvingen, geschiedschrijving, encyclopedische boeken, etc. Een groot deel van die oude teksten komt uit onze streken omdat steden als Antwerpen, Gent en Brugge in die tijd economisch zeer sterk stonden. 

In die tijd begon er zich ook voor het eerst een soort politieke eenheid te ontwikkelen in de Nederlandstalige gebieden wat zorgde voor meer contacten tussen mensen van verschillende streken. Dat zorgt voor meer taaleenheid, maar toch blijft het zeer moeilijk voor mensen die van een verschillend dialectgebied komen om elkaar te begrijpen. Zo is er het voorbeeld van Nicolaus van Winghe die in 1548 ‘Den gheheelen Bybel’ publiceerde die geschreven was in het Brabants dat in Leuven gesproken werd. In de herdruk van dat boek dat in 1553 uitkwam schrijft de uitgever in het voorwoord dat vele woorden en termen niet begrepen werden door de mensen van buiten Leuven en dat die woorden dus vervangen werden met meer bekende Nederlandse woorden. 

Vanaf 1568 verandert alles in onze streken, want dat is het begin van de Tachtigjarige Oorlog. Het protestantisme had een groot succes in onze streken, wat voor een splitsing zorgde van een katholieke en een protestantse stroming. Dit zorgde voor grote conflicten die uiteindelijk in een burgeroorlog eindigde waarbij vele mensen stierven. In deze periode vluchtten ongeveer honderdduizend mensen naar het noorden, richting de regio van Nederland. Toen Antwerpen viel in 1585, was er een duidelijke scheiding tussen het Noorden en het Zuiden. Onze regio komt terecht in een zwarte periode, waarbij we onze macht verliezen, er veel geplunderd wordt en er hongersnood is. In het Noorden gebeurt het omgekeerde en is er veel groei en welvaart.             

Het is rond die periode dat het ABN eigenlijk ontstaat. ABN staat voor Algemeen Beschaafd Nederlands en is de eerste vorm van het Standaardnederlands dat we nu kennen. Er zijn meerdere redenen waarom het ABN rond die tijd ontstaan is, zoals de uitvinding van de drukpers, mensen die meer reizen, het verzet tegen de Spaanse overheerser, de democratisering van het onderwijs, en het mindere gebruik van Frans en Latijn, om er een paar op te noemen. Hierdoor moest er dus een taal gemaakt worden die iedereen kon begrijpen. Het ABN of het Standaardnederlands is dus toen bewust geconstrueerd geweest en is ontwikkeld geweest in de omgeving van Amsterdam. In de grote Hollandse steden werd de standaardtaal dus voor het eerst gebruikt. 

Dat had als gevolg dat de mensen uit die steden begonnen neer te kijken op het dialect en dat het als minderwaardig werd bekeken. Daardoor begonnen steeds meer en meer mensen rond die streek hun taalgebruik aan te passen zodat het toch wat meer leek op ‘beschaafd’ Nederlands. In Vlaanderen had ABN eigenlijk veel minder invloed dan in Nederland, want in die tijd werden we nog overheerst door de Spanjaarden, en later de Oostenrijkers en de Fransen. Hierdoor was er eigenlijk geen vrijheid om onze taal te ontwikkelen, omdat Latijn en Frans toen voornamelijk werden gebruikt bij de hogere klassen. Daardoor bleef het analfabetisme in Vlaanderen hoog en bleef de bevolking dialect spreken. Als je in die tijd een goeie job wou hebben, dan moest je Frans aanleren. 

Heel even, onder de heerschappij van koning Willem I, herenigd het Zuiden zich weer met het Noorden. Hierdoor wordt het Nederlands terug belangrijker in onze regio en wordt het ook als landstaal uitgeroepen. Het Nederlands begon toen ook gebruikt te worden in het onderwijs, het gerecht en de administratie. Spijtig genoeg duurt dat niet lang, want zowel de Franstaligen als de katholieken en liberalen beginnen zich hiertegen te verzetten. Zij willen alleen de eigen talen, het Frans en het Vlaams, en niet het “Hollands” in deze regio. Vanaf 1830, toen België onafhankelijk werd en zich afscheidde van Nederland, wordt de vrijheid van taal gegarandeerd. In de praktijk werd echter nog altijd het Frans als belangrijkste taal aanzien omdat dat nu eenmaal gesproken in de hogere klassen. De lagere klassen blijven dialect praten en er worden verschillende spellingssystemen gebruikt bij het schrijven, zowel die uit Nederland als uit Vlaanderen. Uiteindelijk, in 1836, vraagt de regering om een spellingsysteem voor het Vlaams te ontwikkelen. Dat was in die tijd niet zo makkelijk, want er waren twee groepen ontstaan: de integrationisten, die de spelling wouden overnemen uit Nederland, en de particularisten, die een eigen spelling wouden ontwerpen. Uiteindelijk winnen de integrationisten dit gevecht en in 1844 beslist de overheid om hun spellingsregels te gebruiken. 

In de twintigste eeuw begon de Vlaamse elite het ABN, het Algemeen Beschaafd Nederlands, met succes te promoten in Vlaanderen. Dat begon met de oprichting van het VBO, de ‘Vereeniging voor Beschaafde Omgangstaal’. Hun eerste doel was de Nederlandse uitspraak promoten, maar na de Eerste Wereldoorlog, werd de nadruk meer gelegd op het woordgebruik en de zinsbouw. Dat werd alleen maar belangrijker, want na 1930 werd het onderwijs in Vlaanderen helemaal Nederlandstalig en er kwam plots een enorm vraag naar docenten Nederlands. Na de Tweede Wereldoorlog werd de VBO opnieuw vernieuwd, die het ABN verder ging promoten via welsprekendheidstoernooien, opstelwedstijden, congressen en ABN-weken. Dat begon zijn effect te hebben, want in 1951 onstonden er verschillende clubjes van jongeren die elkaar hielpen om zoveel mogelijk ABN te spreken. 

Het is pas in de jaren zestig van de twintigste eeuw dat de standaardisering van de Nederlandse taal plaatsvindt in Vlaanderen. Iets dat driehonderd jaar vroeger in Nederland begonnen is. Is die standaardisering dan compleet in de 21ste eeuw? Ja en nee, wij spreken en schrijven nog altijd niet zoals onze Noorderburen in Nederland, maar we hebben nu wel naast onze dialecten een standaardtaal die we kunnen spreken en schrijven waardoor alle Vlaamse regio’s elkaar een pak makkelijker kunnen verstaan. En zo is tussentaal eigenlijk ontstaan, uit dat process van die standaardisering naar één taal.  

Tegenwoordig, in de eenentwintigste eeuw, is er veel meer waardering gekomen voor het Belgisch-Nederlands. Men is beginnen inzien dat wij, Vlamingen, nooit echt zoals onze Noorderburen zullen spreken simpelweg omdat wij in een ander land wonen en wij een ander dagdagelijks leven hebben dan de mensen in Nederland. Wij hebben andere sociale normen, inclusief taalnormen die hierdoor tot stand zijn gekomen. Door het streven naar het Nederlands-Nederlands los te laten, zijn we beter in staat om een taalvariëteit te maken die werkt voor ons Vlamingen en ons dagdagelijks leven.  

En voila, daar komt tussentaal dus vandaan en dat is de reden waarom ik vandaag de dag in tussentaal spreek met jullie. Moest ik 70 jaar geleden geboren zijn, dan zou ik nu dialect aan het spreken zijn. Het meeste van de informatie voor deze podcast heb ik trouwens gehaald uit een super interessant boek met de naam: “Typisch Vlaams” en is geschreven door Ludo Permentier en Rik Schuts. Ik vind het echt een geweldig boek want ze hebben daar 4000 woorden en uitdrukkingen in gebundeld die typisch Vlaams zijn. Ik heb er al enorm veel van bijgeleerd en ik raad het iedereen aan die meer te weten wilt komen over het Belgisch-Nederlands om eens een kijkje te nemen in dit boek.   


Persoonlijke bedenkingen 

Nu vraag je je na heel die uitleg misschien af: “Wat gaat er dan nu met de dialecten in Vlaanderen gebeuren nu dat heel die standaardisering gaande is?” Dat is een hele, goede vraag en dat is er één die ik mij ook geregeld stel. Momenteel worden de dialecten nog gesproken door de generatie van grootmoeder en in beperkte mate de generatie van mijn ouders, dus ze worden in zekere zin nog wel onderhouden. Voor mijn generatie is er echter zo goed als niemand dat nog echt dialect kan spreken op een paar uitzonderingen na. 

Er zijn wel bepaalde organisaties die het dialect in hun streek levend proberen te houden. Zo is er in Leuven bijvoorbeeld de ‘Akademie van ‘t Leives’, de academie van het Leuvens, voor moest je dat niet verstaan hebben. Die maken boeken, cd’s en komen regelmatig samen om te babbelen in ‘t Leuvens. Ik heb zelf destijds een paar boeken en cd’s gekocht van hen om daar dan samen in te bladeren of te luisteren met de bomma, want dat is iets wat we graag doen, en doen moeten we altijd lachen met sommige woorden. Ik vind dat alleszins supertof dat er nog organisaties zijn die de dialecten levend houden.

Mijn vrees is wel een beetje dat de dialecten grotendeels gaan uitsterven een keer de generatie van mijn grootmoeder er niet meer is. Ik vermoed dat dialect dan meer een curiosa gaat zijn en vooral in de taalwetenschap en specifieke taalorganisaties nog bestudeerd zal worden. Als we de dialecten echt terug tot leven willen laten komen in het dagdagelijkse leven, dan gaan we dat terug de kinderen moeten aanleren in het school, denk ik. Heeft dat nog zijn nut, heeft dat nog zijn functie? Nu wij Vlamingen elkaar beter kunnen verstaan door de tussentaal te gebruiken, is het dan nog nodig om vast te houden aan een dialect die door veel minder mensen begrepen wordt een keer je naar een andere regio in Vlaanderen gaat? Eerlijk gezegd, ik weet het niet.  

Ik persoonlijk zou het wel spijtig vinden, moesten de dialecten verdwijnen. Onze taal is iets waar vele Vlamingen trots op zijn en ik heb het gevoel dat we een stukske Vlaamsheid zouden verliezen, moesten de dialecten niet meer gehoord worden op straat. En voor mij zorgt dat toch ergens voor een soort van gevoel van verbondenheid. Als ik bijvoorbeeld op reis ben en ik zit in een ander land, dan is het altijd leuk om ineens ergens Vlaams te horen. Dat geeft voor mij altijd even het gevoel van “Ah, die hoort bij mijn stam, bij mijn tribe”. En het geeft een extra speciaal gevoel als je aan het accent hoort dat die persoon uit je streek komt. Dat is voor mij meestal zelfs een reden om die persoon even aan te spreken. Dus ja, ik vermoed dat de dialecten een soort van extra gevoel van verbondenheid geven, wat misschien wel wat zou kunnen vervagen als ze niet meer gesproken worden.    

En dat niet alleen. Er zijn toch wel een paar voordelen bij het kunnen verstaan en spreken van een dialect heb ik gemerkt. Het eerste is dat uw woordenschat uitbreidt. Ik kan bijvoorbeeld zowel ‘rolluik’ als ‘blaffetuur’ zeggen, zowel ‘schroevendraaier’ als ‘tournevis’ en ‘velo’ in plaats van ‘fiets’. Een kip is een ‘kieken’, de radiator is een ‘chauffage’ en een koppeling is een ‘ambriage’. Doordat er zoveel woorden uit het dialect dat ik versta komen uit het Frans, heeft dat als gevolg dat ik woorden versta uit een andere taal. Ik ben er zeker van dat de mensen die een Limburgs dialect praten ook redelijk wat Duitse woorden aangeleerd krijgen. 

Daarnaast heb je ook bepaalde samenstellingen van klanken in de dialecten die je niet hoort in tussentaal of Standaardnederlands. Zo heb je het woord ‘poeikes’, wat dat wortelen, poten of voeten betekent. hoe die ‘oe’ en ‘i’ worden uitgesproken na elkaar, ‘poeikes’, is iets wat je niet terugvindt in tussentaal of Standaardnederlands. Hetzelfde geldt voor het woord ‘doeëd’, wat dood betekent. De manier waarop de ‘oe’ en de ‘e’ achter elkaar uitgesproken worden, is iets dat enkel in dialect voorkomt. Of nog zo een voorbeeldje: ‘bieën’, wa ‘been’ betekent. Je mag trouwens eens proberen aan een Vlaming te vragen om die woorden uit te spreken, hoe jonger de Vlaming, hoe moeilijker die het gaat hebben om die woorden deftig uit te spreken. Maar ja, een taal is een levend iets en dat evolueert continu. We zullen zien wat er met de dialecten gebeurd, of ze verdwijnen of niet.   

En voila, we zijn weer op ‘t einde van deze aflevering gekomen. Ik hoop dat jullie er van genoten hebt. Ik vond het enorm boeiend om hierover bij te leren, want ik wist zelf ook niet dat tussentaal, hetgene wat ikzelf  99% van de tijd spreek, nog niet zolang bestaat. Dus ja, Pierre, mercikes voor die heel goede vraag. Ik heb er echt van genoten om daar dingen over op te zoeken. Moest je trouwens zelf een vraag hebben over Vlaams of over een ander onderwerp waarover ik spreek, stuur gerust een mailtje naar pieter@opznvlaams.be en ik zal ze zo snel mogelijk proberen te beantwoorden. Alleszins, mercikes voor te luisteren.  

Houdt ulle goe en tot de volgende!

Leave a Reply

Your email address will not be published.

This site uses Akismet to reduce spam. Learn how your comment data is processed.